Het Garrels/Meere-orgel

De rijke geschiedenis van het instrument begint in 1509 bij de Utrechtse orgelbouwer meester Gherijt (Gerrit Petersz), van wie de huidige hoofdwerkkas afkomstig is. Uit 1579 dateert een bericht over een inbraak in de Jacobikerk waarbij orgelpijpen zijn gestolen en vernielingen aan het orgel zijn aangericht. In 1587 is het orgel hersteld met gebruikmaking van pijpwerk uit het orgel van de dan inmiddels gesloten St. Paulusabdij.

De eerste grote restauratie vindt plaats in 1609 door Dirck Petersz de Swart en Jacob Jansz van Lin. Van het gerestaureerde orgel is de dispositie nog beschikbaar (zie www.jacobikerk.nl). Het hoofdwerk was een zogenaamd blokwerk: per toon klonken meerdere rijen pijpen tegelijk, zonder de mogelijkheid die rijen afzonderlijk te laten klinken. Men kon dus niet variëren in klankkleur en klanksterkte. Het pedaal was aangehangen en er was een tremulant voorhanden voor het gehele orgel. De frontpijpen waren met tinfolie bedekt, wat kan duiden op pijpen met een hoog loodgehalte.

Tussen 1609 en 1739 hebben de orgelmakers Geurt van Pisa (1635-1642), Roelof Barendsz Duyschot (1679) en Willem van Limborgh (1724) zich met het orgel beziggehouden. Duyschot plaatste een zelfstandig rugwerk, maar verder is niet precies bekend welke werkzaamheden deze orgelbouwers aan het orgel verricht hebben. Het is dus ook niet duidelijk wanneer het hoofdwerk is omgebouwd tot een systeem met afzonderlijke registers.

Van 1739 tot 1742 werkt Rudolph Garrels aan het orgel. Hij levert een zelfstandig pedaal en bouwt het orgel ingrijpend om. Onderzoek heeft uitgewezen dat de Prestant 16', Octaaf 8', Quint 3', Octaaf 2' en de Roerfluit 4' van het Hoofdwerk en de Octaaf 4' van het Pedaal met zekerheid uit de 16e eeuw stammen. Deze registers hebben van Garrels hun prominente positie gekregen.

Op 11 juli 1742 wordt er een positief keuringsrapport uitgebracht over het resultaat van Garrels’ werkzaamheden.

In 1750 voert Johann Heinrich Hartmann Bätz een kleine restauratie uit, waarbij onder andere een Cornet aan het hoofdwerk wordt toegevoegd.


In 1823 neemt de Utrechtse orgelbouwer Abraham Meere het orgel onder handen. Meere vernieuwt het totale rugwerk naar inzichten van die tijd en plaatst het op een oksaal. Ook qua uiterlijk heeft het orgel in die tijd ingrijpende veranderingen ondergaan. Zo zijn het lijstwerk en de ornamentuur van de hoofdwerkkas aangepast en de luiken van het hoofdwerk verwijderd. Deze luiken worden momenteel bewaard in het Centraal Museum. De laatgotische opbouw van het hoofdwerk van Gerrit Petersz is ondanks de toevoegingen en aanpassingen van Meere nog steeds goed te herkennen. De overeenkomst met bijvoorbeeld de orgelkas van Petersz uit Middelburg (Koorkerk) is duidelijk waarneembaar.

De restauratie door Meere heeft overigens veel kritiek gehad, onder meer van Domorganist Frederik Nieuwenhuijsen.

In 1883 houdt de Utrechtse orgelbouwer J.F. Witte zich bezig met het orgel. Twee zaken zijn vermeldenswaardig: Witte heeft het pijpwerk van veel registers verplaatst en heeft een aantal pijpen (de Octaaf 4' van het Hoofdwerk) vervangen door materiaal van Matthijs Verhofstad. Dit pijpwerk is vermoedelijk afkomstig uit het dan juist afgebroken orgel van de Lutherse kerk te Utrecht. Uit een artikel blijkt dat men Witte dankbaar is dat hij het orgel heeft willen restaureren. Er werd nogal negatief gekeken naar het orgel zoals het aanwezig was vóór de restauratie door Witte. In 1911 voert J. De Koff, ook afkomstig uit Utrecht, werkzaamheden uit aan het orgel.

Bij de grote restauratie van 1978 heeft de firma Van Vulpen samen met de adviseurs dr. J. van Biezen en dr. M. A. Vente het hoofdwerk en pedaal teruggebracht naar de toestand van 1742. Het rugpositief is teruggebracht naar de toestand van 1823. Voor deze restauratie heeft men precies moeten uitzoeken waar al het pijpwerk vandaan kwam en van welke orgelbouwer het afkomstig was.

Omdat het pijpwerk van het pedaal diep in de toren van de Jacobikerk stond, was de draagkracht ervan beperkt. Daarom is dit pijpwerk naar voren verplaatst. Verder heeft men een schot geplaatst, zodat het geluid de kerk ingestuwd werd in plaats van dat het in de toren of het deel van de kerk achter de toren bleef hangen (de toren van de Jacobikerk staat in de kerk, en niet ertegenaan). Ook heeft men via een transmissiesysteem de Prestant 16' van het hoofdwerk aan het pedaal gekoppeld.

In de jaren 1996-1997 is er door Van Vulpen ten slotte nog een klankherstel toegepast, als gevolg waarvan de klank van het orgel krachtiger en helderder is geworden. De Jacobikerk beschikt daardoor heden ten dage over een orgel dat uitstekend is toegerust voor zijn muzikale taak in de erediensten en de concerten.



Dispositie:

Hoofdwerk (C-c3) :

Prestant 16' 
Octaaf 8'
Holpijp 8'
Octaaf 4' 
Openfluit 4' 
Roerfluit 4'
Quint 3'
Octaaf 2'
Woudfluit 2'
Cornet IV (discant) 
Sexquialter III 
Mixtuur IV-VI (B/D)  
Trompet 8' 
Tremulant
                                    

Rugwerk (C-c3) :  

Prestant 8' 
Holpijp 8'
Quintadeen 8'
Fluit Travers 8' (discant) 
Octaaf 4'
Gemshoorn 4'
Octaaf 2'
Woudfluit 2'
Quint 1 1/2' 
Flageolet 1'
Carillon III (discant)
Sexquialter II (discant) 
Mixtuur III-VI (B/D) 
Fagot 8' (B/D)
Vox Humana 8' (B/D)         
Tremulant      


Pedaal (C-d1) : 

Prestant 16' 
Bourdon 16' 
Octaaf 8'
Octaaf 4' 
Mixtuur IV-V
Bazuin 16'                            


Koppelingen: Pedaal - Hoofdwerk, Pedaal - Rugwerk, Hoofdwerk - Rugwerk (gehalveerd).
Speelhulpen: Afsluiters, Ventiel. 

Temperatuur: Neidhart III; Winddruk: 76 mm; Toonhoogte: a'=483 Hz.

    

Het Hess-orgel

Sinds enkele jaren beschikt de Jacobikerk over een kabinetorgel uit 1774. Een kabinetorgel is een huisorgel dat, wanneer de deuren gesloten zijn, lijkt op een boekenkast of schrijfbureau. Beter gesitueerde particulieren of klein behuisde kerken schaften zich een dergelijk orgel aan.

In wiens opdracht dit orgel is gebouwd, is niet bekend. Wel is bekend dat het orgel in 1774 werd gebouwd  door Hendrik Hermanus Hess te Gouda. Ook over de eerste 125 jaar van dit orgel is niets bekend. Wel dat het rond 1900 opduikt op een veiling en gekocht wordt door de Oud Gereformeerde Gemeente aan de Bootstraat. Rond 1959 gaat het orgel in eigendom over naar de Gereformeerde Gemeente in Nederland aan de Zandhofsestraat. Dan komt het in handen van de familie Otte in Bosch en Duin die het in 2003 aan de Jacobikerk schenkt.

Hess (1735-1794) werd geboren als kleermakerszoon in Leeuwarden. Hij ging op zoek naar een ander ambacht. Samen met zijn broer Joachim besprak hij in Gouda de mogelijkhe­den. De ambachten die on­der de bescherming van de gilden vielen, waren slechts bereikbaar na het afleggen van een proeve van be­kwaamheid. Aangezien Hen­drik vermoedelijk alleen in het kleermaken bedreven was, moest hij naar een vrij ambacht uitzien. Joachim was organist in Gouda en het was dus niet vreemd dat hij op de gedachte kwam dat zijn broer een orgelmakerij zou beginnen. Hij leerde het vak op bijzondere wijze: eigenlijk door het af­kijken van het werk van zijn knechten. Bovendien hielp zijn broer Joachim hem.

Hendrik is vooral bekend geworden als bouwer van huisorgels. Dr. A.J. Gierveld beschrijft in zijn proefschrift 43 huisorgels van Hess. De makelij en klankkwaliteit van de huisorgels variëren van grof tot fijnmazig. Als kerkor­gelbouwer is hij minder be­kend geworden. Er zijn 12 orgels met zekerheid aan hem toe te schrijven, waar­van er slechts vijf geheel of gedeeltelijk bewaard zijn ge­bleven.

Boven het klavier staat de volgende tekst geschilderd: "H.H. Hess Me Fecit. Goudæ. 1747". Curieus is de vermelding van het jaartal, want dit klopt niet! Hess was toen nog maar 12 jaar oud en was nog kleermakersknecht in Leeuwarden. Bovendien heeft onderzoek met een kwartslamp aangetoond dat de laatste twee cijfers van het jaartal oververguld zijn. Mede gelet op de meubelstijl wordt in het algemeen aan­genomen dat het bouwjaar 1774 is.

In 2010/2011 heeft een grondige restauratie van het kabinetorgel plaatsgevonden in de werkplaats van de Utrechtse orgelbouwer Van Vulpen.
Bij deze restauratie, die onder toezicht stond van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, is alles onder handen genomen: de kast, de windvoorziening, het klaviatuur, de windlade en het pijpwerk. In november 2011 is het orgel teruggeplaatst in de kerk. Op zijn nieuwe plaats in de noorderzijbeuk is het orgel nog breder inzetbaar.  

Dispositie:

Manuaal (C-f3) :

Prestant 8' (discant)
Holpyp 8' 
Fluyt 4'
Quintfluyt 3' (bas)
Quintprestant 3' (discant)
Prestant 2'
Octaaf 1'
Tremulant    

Windvoorziening: motor, magazijnbalg, schepbalg en voettrede.


Het Van Vulpen-positief


Dit kleine orgel van de firma Van Vulpen dateert uit 1984 en staat opgesteld in het liturgisch centrum van de kerk.
Het orgel fungeert voornamelijk als begeleidingsinstrument, bijvoorbeeld bij concerten van kamerkoor Cantiago, maar kan eventueel ook als solo-instrument worden gebruikt.

Dispositie:

Manuaal (C-f3) :               

Holpijp 8'   (bas / discant)
Fluit 4'      (bas / discant)
Octaaf 2'   (bas / discant)